Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen: opdracht met risico's
Nieuwsbericht | 10-09-2007
Justitiële jeugdinrichtingen maken opdracht onvoldoende waar, oordelen vier inspecties. Rapport, uitgebracht aan minister van Justitie, van september 2007.
De Inspectie jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie voor de Sanctietoepassing hebben op verzoek van de minister van Justitie onderzoek gedaan naar de veiligheid binnen de veertien justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) in Nederland.
De vraag die centraal stond bij dit gemeenschappelijke toezicht was of justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de opdracht een veilig leef-, behandel- en werkklimaat te bieden en te waarborgen voor de jongeren en het personeel van de inrichting en de daaraan verbonden school.
Het uitgangspunt dat bij het toezicht is gehanteerd, is dat het opsluiten in een beveiligde setting van jongeren met ernstige gedrags- en/of psychiatrische problemen, die al dan niet strafbare feiten hebben gepleegd, op zichzelf een risicovolle situatie is. Incidenten binnen JJI’s zijn dan ook niet uit te sluiten. De inspecties verwachten echter wel dat de JJI’s ernaar streven om de risico’s die het opsluiten van deze jongeren met zich mee brengt tot een absoluut minimum te beperken en een zo veilig mogelijk leef-, behandel- en werkklimaat te bieden en te waarborgen.
Om dit te beoordelen onderscheiden de inspecties vier risicogebieden die alle in even belangrijke mate bijdragen aan de (on)veiligheid binnen een JJI en de daaraan verbonden school en die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, met name gezien de populatie en de opdracht van de JJI’s. Het betreft de volgende gebieden: Preventie en beheersing van agressie en geweld, Bejegeningsklimaat, Opvoeding en behandeling en Deskundigheid van het personeel.
Eindoordeel
Op basis van het onderzoek komen de inspecties tot het oordeel dat de justitiële jeugdinrichtingen hun opdracht onvoldoende waarmaken. De veertien justitiële jeugdinrichtingen lopen te grote risico’s op een onveilig leef-, behandel- en werkklimaat.
Bij zes van de veertien inrichtingen is sprake van een ernstig risico op een onveilig leef-, behandel- en werkklimaat voor jongeren en het personeel. De overige inrichtingen lopen een laag of een matig risico. Hier is echter in geen enkel geval sprake van een inrichting die op alle onderzochte punten (indicatoren) geformaliseerd beleid heeft dat bij medewerkers bekend is en in de dagelijkse praktijk consequent wordt gehanteerd. Daarnaast is in alle inrichtingen nauwelijks sprake van borging van beleid.
Uit het onderzoek blijkt dat de risico’s het grootst zijn op het gebied van opvoeding en behandeling en van deskundigheid van het personeel. De JJI’s slagen er niet in om het verblijf in de inrichting aan te wenden voor de (her)opvoeding en behandeling van jongeren op basis van hun individuele behoeften en problematiek. Daarnaast beschikken de JJI’s over onvoldoende (specialistische) kennis en professionaliteit om een veilig leef-, behandel- en werkklimaat te waarborgen. Tevens doen zich risico’s voor in de omgang met agressie en geweld. Het beleid en de praktijk zijn meer gericht op de aanpak van problemen dan op de preventie ervan.
De inspecties hebben aanbevelingen geformuleerd aan de justitiële jeugdinrichtingen en aan de minister en de staatssecretaris van Justitie.
Het rapport vindt u op de website van de Inspectie jeugdzorg in de rubriek Publicaties JJI's. De inspecties hebben ook voor elke inrichting een rapport uitgebracht. Deze 14 inrichtingsrapporten kunt u eveneens vanaf hier downloaden.
Bij de voorbereiding van het onderzoek van de vier inspecties is onder andere rekening gehouden met de uitkomsten van wetenschappelijke en andere publicaties op het gebied van veiligheid, pedagogische zorg en behandeling in justitiële jeugdinrichtingen in Nederland en elders. Daartoe is het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam, onder leiding van Prof. Dr. P.H. van der Laan, gevraagd het (internationale) wetenschappelijk onderzoek en het nationale inspectieonderzoek te inventariseren evenals andersoortige – inclusief journalistieke – publicaties.