Ga naar hoofdmenu / zoekveld

  1. Home 
  2. Actueel 
  3. Toespraken 
  4. Indicatoren GGZ en verslavingszorg

Indicatoren GGZ en verslavingszorg

Toespraak | 29-11-2006 | | Gerrit van der Wal

Op 29 november 2006 werd in Amsterdam de basisset prestatie-indicatoren voor de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) en de verslavingszorg uitgereikt aan staatssecretaris Ross. Inspecteur-generaal Van der Wal vertelde wat de indicatoren voor deze zorgsectoren en voor het werk van de inspectie betekenen.

Dames en heren

De totstandkoming van de basisset prestatie-indicatoren voor de GGZ laat zien dat een belangrijke mijlpaal is bereikt. Niet eerder hebben maar liefst alle betrokken partijen te kennen gegeven dat er eigenlijk maar één manier is om écht rekenschap af te leggen van de prestaties van de zorgaanbieders, namelijk de cijfers voor zich te laten spreken. Met deze basisset maken we bovendien zichtbaar dat verbetering van de kwaliteit van zorg een taak voor velen is. In dat opzicht vormt de basisset een grote uitdaging aan allen. Het werken met prestatie-indicatoren is iets dat zich gezondheidszorg breed afspeelt –nationaal en internationaal. Zo wordt op 11 december aanstaande al voor de derde maal ‘Het resultaat telt’ door de inspectie uitgebracht, en aan minister Hoogervorst aangeboden. Dit rapport schetst de stand van zaken in de Nederlandse ziekenhuizen met betrekking to een aantal prestatie-indicatoren. De inspectie heeft een aantal jaren geleden het initiatief genomen om in de ziekenhuizen de kwaliteit van zorg zichtbaar te maken met behulp van prestatie-indicatoren. In de loop der tijd is dat in steeds betere samenwerking met de veldpartijen gegaan. Ook in de andere sectoren van de gezondheidszorg wordt aan de ontwikkeling van prestatie-indicatoren gewerkt: in de openbare gezondheidszorg (de wereld van de GGD-en), in de huisartsenzorg, de farmacie enzovoorts. Het mooiste voorbeeld van samenwerking van het begin af aan is wel de gang van zaken in de wereld van de verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg. Het mooiste voorbeeld van tempo is te vinden in de wereld van de GGZ. Daar heeft een forse inhaalslag plaatsgevonden. Mijn complimenten daarvoor!

Met de GGZ-basisset lijkt er in principe niet zoveel te veranderen: de Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet erop toe dat de zorg op verantwoorde wijze, dat wil zeggen veilig, effectief en cliëntgericht, plaatsvindt. Maar het, zichtbaar-met-cijfers, aan alle betrokken partijen laten zien hoe goed je het als zorgaanbieder in de GGZ doet, en die cijfers als vergelijkingsmateriaal gebruiken om te bepalen of je als inspectie daar verder iets mee aanmoet, dat is een novum. Evenzeer is het nieuw dat we met z’n allen hebben afgesproken dat we ernaar gaan streven om normen voor ‘best’ (en ‘bad) practice’ op basis van dit vergelijkende cijfermateriaal te formuleren.

Het is een grote stap voorwaarts dat met de intrede van de basisset prestatie-indicatoren alle instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg zich aan deze kwaliteitsmonitor committeren. Voor het eerst gaan zij systematisch en op grote schaal opening van zaken geven over de processen en vooral uitkomsten van de zorg die zij cliënten bieden. Zij laten daarmee hun sterke maar ook hun zwakke kanten zien; en dat is een teken van durf en van kracht!

Misschien is wel de belangrijkste prestatie van iedereen die hierbij was betrokken het feit dát de basisset er is gekomen. Verdere ontwikkeling en schaafwerk zijn natuurlijk nodig: de eerstkomende jaren moeten de kinderziektes eruit gehaald worden. De validiteit van de indicatoren moet worden bepaald. Indicatoren die niet deugen moeten plaatsmaken voor betere. De basisset is dus nog niet klaar. Hij moet zeker niet groter maar wél meer volwassen worden.

Ik denk dat ik er goed aan toe om maar eens enkele voorbeelden te noemen van wat ik bedoel. Zo is er een indicator voor somatische screening in de set opgenomen. Een uitwerking van deze indicator naar één die zich expliciet richt op specifieke gezondheidsrisico’s ligt voor de hand. Dat maakt de indicator veel doelgerichter en dus meer bruikbaar. Ik noem de kans op ontstaan en aanwezigheid van lichamelijke ziekten zoals diabetes mellitus type 2 bij cliënten met een schizofrene stoornis. Ook moet er nog een indicator over ernstige bijwerkingen van het gebruik van sommige psychofarmaca worden doorontwikkeld. En zo ook over de bijwerkingen van gesprekstherapieën bij cliënten met traumagerelateerde stoornissen. We weten allemaal dat er bijwerkingen zijn maar goed zicht daarop hebben we nog steeds niet. Verder noem ik de uitkomstindicator die zich richt op het vóórkomen van suïcide bij cliënten die in zorg zijn van GGZ-instellingen. Ook hier moeten betere vragen worden geformuleerd, die bijdragen aan inzicht in deze problematiek.

Wat kunnen instellingen in het kader van zorgverbetering en inspectie als speerpunt van toezicht, nu met die indicatoren doen? Laat ik het voorbeeld geven van de indicator die de omvang, duur en beleving van de toepassing van dwangbehandeling en dwangmaatregelen in beeld moet brengen. Op basis van de huidige registraties weten we al dat er tussen de GGZ-instellingen grote verschillen bestaan in het aantal keren dat cliënten, die zijn opgenomen op een psychiatrische afdeling, worden gesepareerd. Verbeteringen op deze indicator moeten dan ook spoedig onderdeel van de basisset uitmaken en daarmee belangrijke sturingsinformatie opleveren. Met deze cijfers kunnen instellingen namelijk direct meten of zij erin slagen om het separeren terug te dringen, zoals in de beleidsvisie van GGZ Nederland is aangegeven. De GGZ-instellingen verschillen natuurlijk op allerlei punten van elkaar. Dat willen ze ook. Maar wat de inspectie betreft mag het niet zo zijn dat verschillen in afdelingscultuur bepalen of je als cliënt wel of niet wordt gesepareerd. De verschillende partijen, cliënten, beroepsbeoefenaren en zorgaanbieders, ziekteverzekeraars en inspectie kunnen de uitkomstindicatoren dus gebruiken om te zien of het lukt om de GGZ ook in deze opzichten te verbeteren.

Een ander aspect van belang betreft de betrouwbaarheid van de gegevens. Die moet zorgvuldig worden bewaakt. Een onafhankelijk forum zal met deze taken belast moeten worden. Ook wil de inspectie dat er goed gekeken wordt of het volstaat als gegevens worden verzameld op het niveau van de instelling of het concern. Misschien is een nader inzoomen op verschillende instellingsonderdelen toch nodig, zeker gezien de toenemende fuseringsdrang van instellingen. Allemaal aandachtspunten voor de aankomende periode. Maar, met inachtneming van bestaande beperkingen en nader te stellen eisen, hebben we toch wél heel wat in handen. Daarom is er wel degelijk een mijlpaal bereikt. Alle betrokken partijen krijgen namelijk informatie die hen beter in staat zal stellen hun legitieme belangen daadwerkelijk te dienen.

Het is een goede zaak dat bijvoorbeeld de zorgverzekeraars hun beslissingen over inkoop van zorg kunnen baseren op betrouwbare en objectieve gegevens over de kwaliteit van zorg. Dat betekent ook dat er niet tegelijk weer ándere gegevens over de kwaliteit van zorg worden opgevraagd. Een van de doelen was immers om de administratieve belasting substantieel te verminderen. Dat op zich is al een belangrijke bijdrage aan het verbeteren van de kwaliteit van zorg.

Ook de cliënten kunnen nu hun voorkeur voor, argwaan of voorzichtigheid naar zorgaanbieders beter toetsen met behulp van de gegevens die de basisset oplevert. Het is voor de cliënt meestal een onzekere en vaak angstige stap om het contact met een zorgaanbieder te leggen, ook als de nood hoog is. Want houdt de zorgaanbieder rekening met je, is deze in staat om echt aandacht voor je te hebben, wordt je serieus betrokken bij de behandeling of begeleiding, of krijg je het gevoel dat je in een bureaucratische papiermolen verdwijnt? Tel je als persoon of word je gereduceerd tot een DSM IV diagnose? Allemaal zaken die in de basisset zijn opgenomen.

Wat betekent nu de basisset voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg? De basisset betekent een uitdaging: het vraagt om een flinke omslag in het denken en de houding van alle betrokkenen: het zijn niet langer alleen de zorgaanbieders zelf die hun eigen zorgaanbod beoordelen: alle betrokken partijen gaan dit doen, ieder vanuit het eigen perspectief.

Met de basisset beschikt ook de inspectie over mogelijkheden tot vergelijking: met andere instellingen, maar ook met metingen van de voorgaande jaren. Achteruitgang en vooruitgang in kwaliteit van zorg worden daarmee zichtbaar. En precies dat geeft de set een meerwaarde. Voor de toezichthouder is het belangrijk dat zij het antwoord op de vraag hoe verantwoord de zorg van een zorgaanbieder is narekenbaar, deskundig, betrouwbaar en transparant kan formuleren. Die eisen maken het mogelijk dat de inspectie gezaghebbend kan optreden.

Enige jaren geleden startte de inspectie met de ontwikkeling en experimentele uitvoering van een nieuwe methode van toezicht. Afgesproken werd dat er een proactieve, transparante, en uniforme methode van toezicht zou komen. Dat betekent in feite niets anders dan dat een inspecteur in Groningen bij een vergelijkbare instelling tot dezelfde bevindingen en conclusies moet komen als een inspecteur in Maastricht. Het huidige resultaat hiervan is het zgn. Gelaagde en Gefaseerde Toezicht (GGT). Deze methode maakt actief gebruik van de gegevens uit de basisset. Daar waar een instelling uitkomsten laat zien die kunnen wijzen op een verhoogd risico op gezondheidsschade zal de inspectie nader toezicht uitvoeren. Het toezicht krijgt daarmee een veel sterker fasegewijs verlopend karakter dat niet alleen de doeltreffendheid, maar ook de doelmatigheid ten goede komt.

Daaraan wil ik nog iets toevoegen, wat ik belangrijk vind. Dat heeft te maken met de relatie tussen het externe toezicht door de inspectie en het zelfsturende vermogen van de GGZ-instelling en de daarin werkzame beroepsbeoefenaren. Beroepsbeoefenaren moeten tijdig betrokken worden en actief betrokken blijven bij de bouw en uitbouw van de basisset, en de vertaalslag daarvan naar de kleinere afdelingen van een instelling waar de behandeling en begeleiding plaatsvinden. Uiteindelijk zijn zij het die in eerste en laatste instantie de professionaliteit moeten bieden die leidt tot verantwoorde zorg. Hiervoor is nodig dat de beroepsbeoefenaren mede-eigenaar worden van de instrumenten die de processen en uitkomsten van hun professionele handelen in beeld brengen. Dit vraagt van hen dat zij zich daarvoor open durven stellen en dit niet beleven als een aantasting van hun professionele autonomie. Bovendien biedt de basisset aan instellingen de uitdaging om het intrinsiek aanwezige spanningsveld tussen management en professionals creatief en zinvol te benutten. Dat hangt mede af van de bereidwilligheid en capaciteit van beiden om de beschikbaar komende informatie aan te wenden als sturingsinformatie voor het bijstellen van het zorgaanbod. Dit zal echter des te beter het geval zijn, naarmate er meer een collectieve ambitie aan ten grondslag ligt.

Tenslotte,ik ga afronden: de basisset biedt een belangrijke mogelijkheid om de stem van de cliënten luid en duidelijk van invloed te laten zijn op het verbeteren van de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg en het borgen daarvan. De inspectie zal dit proces helpen begeleiden en erop toezien dat het gewenste resultaat er komt.

Ik dank u voor uw aandacht.